Nooit meer die stevige stomp op de schouder van een collega waardoor die bijna zijn koffie morst.
Nooit meer een vrolijk “Hé, goedemorgen!” vanuit zijn lokaal.
Nooit meer een heerlijke politieke discussie in de personeelskamer.
Bert was een docent met een heel eigen visie op onderwijs. Tijdens een mentorgesprek zei ooit een leerling:
“Meneer Booltink is de luiste docent ooit. Die man legt niks uit.”
Direct reageerde een andere leerling:
“Jawel, hij legt juist heel goed uit. Maar je moet wel zelf aan de slag gaan.”
Dat was Bert ten voeten uit. Hij geloofde dat leerlingen pas echt gaan leren als ze zelf willen begrijpen. Als ze vragen durven stellen. Als ze bereid zijn moeite te doen. Werkte dat altijd? Nee. Maar voor de leerlingen die wilden, stond meneer Booltink altijd klaar.
Wie hem alleen voor de klas zag, zag misschien niet de docent die in tussenuren en na schooltijd eindeloos uitleg gaf. De man die gratis bijlessen verzorgde en leerlingen hielp aan die zo belangrijke voldoende voor wiskunde. Of het nu Z-uren, AT of OT heette: Bert was er.
Denkend aan Bert, denken we ook aan de reizen naar München. Aan zijn liefde voor routines. Aan dezelfde restaurants, dezelfde schnitzels, dezelfde aardappelen en natuurlijk Spezi — cola en sinas door elkaar.
We zien hem nog zitten bij een Indiaas restaurant dat twee jonge collega’s hadden uitgezocht. Vertwijfeld kijkend naar de menukaart. Wat moest hij hier nou eten?
We denken aan de busreizen waarbij we urenlang zaten te klaverjassen met leerlingen. En hoe onmogelijk moeilijk Bert te verslaan was, dankzij zijn fenomenale geheugen voor kaarten.
Bert kon een geweldige organisator zijn. Voor de studiereizen bedacht hij een systeem waarbij leerlingen persoonlijke programma’s kregen, afgestemd op hun interesses. Kleine groepjes, veel vrijheid, soepel georganiseerd — het werkte fantastisch.
Maar Bert was ook een sloddervos. Collega’s kennen de verhalen van toetsen die op het laatste moment nog gekopieerd moesten worden omdat Bert ze “even vergeten” was. Of van begeleiders die zonder waarschuwing op een uitwisseling verschenen terwijl iedereen cadeautjes voor partnerscholen bleek te hebben meegenomen — behalve zij.
En toch vergaf je Bert bijna alles. Omdat hij zelf ook altijd mild bleef. Als je hem ergens op aansprak, glimlachte hij wat schaapachtig en zei hij:
“Ja, klopt. Daar heb je gelijk in.”
En dan was de kou alweer uit de lucht.
Bert kon goed dingen regelen — soms vooral voor zichzelf — maar minstens zo vaak voor anderen. Jarenlang organiseerde hij internationale uitwisselingen met scholen in Hongarije, Frankrijk, Italië en Turkije. Hij wist subsidies binnen te halen, contacten te onderhouden en leerlingen onvergetelijke ervaringen te bezorgen in heel Europa en zelfs daarbuiten.
Hij hield van treinen, trams, metro’s en trolleybussen. Met zichtbaar enthousiasme kon hij vertellen over een obscure Duitse stad waar nog één bijzonder tramtype reed dat hij eindelijk had bezocht. Ook over zijn strips en zijn volleybalvereniging sprak hij met vuur.
Bert had misschien weinig met theater of musicals, maar hij vroeg altijd geïnteresseerd hoe het met het Openbaar Schoolexamen of de musical ging. Omdat hij wist dat dat belangrijk was voor zijn creatieve collega’s.
Dat typeert hem misschien nog wel het meest: achter zijn soms wat stugge en eigenzinnige buitenkant zat een loyale, geïnteresseerde en warme collega.
Bert was vergroeid met het Assink lyceum. Hij zat er zelf op school en gaf er dertig jaar lang les. Hij heeft zijn sporen achtergelaten in generaties leerlingen, in prachtige verhalen, in internationale reizen en in ontelbare uitleggen van het vak wiskunde.
We gaan hem ontzettend missen.
Bert Booltink, de vriendelijke kolos van het Assink lyceum, is er niet meer.
Maar we zullen nog vaak aan hem denken.
